TERUGBLIK: Woensdag 16 maart Architectuurcafé 'Top down of bottom up ..... wat is het beste voor de stad?'

FASadE organiseerde op 16 maart jl een, in de woorden van gespreksleider Felix Rottenberg, ‘caleidoscopisch’ Architectuurcafé, dankzij de vele sprekers die vanuit zeer verschillende invalshoeken reflecteerden op de vraag ‘Top down of bottom up… wat is het beste voor de stad? | Tekst: Johanna van der Werff, met dank aan Marlies van der Maarel, foto's Fred Oosterhuis | Sprekers: architect Carel Weeber; Mariet Schoenmakers, stedenbouwkundige, werkzaam bij gebieds-en projectontwikkelaar AM, als directeur Concepts; architect Thijs Asselbergs; Stadmaker Frans Soeterbroek; Jeanet Kullberg en Andries van den Broek, senior onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau; concept-ontwikkelaar Berci Florian; Hans Teerds, architect, blogschrijver, publicist en onderzoeker aan de TU Delft.

 Wat is er aan de hand? Ons land is in de ban van burgerparticipatie, een traject waarbij ontwikkelingen niet meer van bovenaf gestuurd worden, maar tot stand komen dankzij of door het inspelen op ideeën en denkkracht van inwoners. Een interessante ontwikkeling. Burgers geven input, nemen initiatieven en verbreden het draagvlak van ontwikkelingen. De gemeente treedt in deze gevallen vooral faciliterend op en toetst ‘door de oogharen’. Talloze interessante en meer of minder tijdelijke projecten komen op deze manier tot stand. Toch doen we de top-down-methode tekort als we die afserveren als een ondemocratische wijze van stadsontwikkeling. Tijdens het Architectuurcafé lagen de ‘pro-s & cons’ van Bottom up en Top down onder leiding van gespreksleider Felix Rottenberg stevig onder loep.
De ontwikkeling van ons land en onze steden was decennialang primair het domein van overheid en professionals. De crisis in 2008 bracht dit mechaniek hard tot stilstand. Toen bleek dat er een totale mismatch was ontstaan op de door aanbod gestuurde markt. Deze aanbodmarkt zag zich genoodzaakt om zich om te vormen naar vraagmarkt, maar er gebeurde ook  een tijdlang vooral heel weinig. In de door de crisis veroorzaakte stilstand kwam veel energie los onder burgers, onder het motto ‘Burgers maken de stad!: bottom up initiatieven als weg om grote en kleine ontwikkelingen van de grond te krijgen en plekken in de stad betekenis te geven. Inmiddels worden deze initiatieven, ook door overheden, als de heilige graal gezien. Sterker, in de toekomstige Omgevingswet, die in 2018 kracht van wet krijgt wordt nogal wat van de burger verwacht.
Reden voor FASadE om een en ander toch eens kritisch te wegen en vragen te stellen. Hoe democratisch of ondemocratisch zijn bottom up en top down initiatieven? Hoe zit het  met de professionaliteit ervan? Hoe garanderen we de ruimtelijke kwaliteit van onze steden, ook op de langere termijn? Wat mogen en kunnen we in dit licht van burgers verwachten?  Wat is de rol van architecten en ontwikkelaars?

De architecten
Lange tijd was Nederland hét land van architecten en stedenbouwers. In de top down waanden architecten zich in een walhalla, het creatieve werk was in overvloed voorhanden en de architect wist zich zeker van zijn onwankelbare positie waar het gaat om het vormgeven van het ruimtelijke domein. Inmiddels zijn er forse kerven in dit onaantastbare beeld gekomen en is de positie van de architect her en der gemarginaliseerd.
De aftrap was voor Carel Weeber, ooit fel tegenstander van de zogeheten Nieuwe truttigheid in de Nederlandse architectuur en een ‘avant la lettre’ pleitbezorger van een grotere rol van de burger, met de introductie door hem van het begrip ‘Het Wilde Wonen’ in 1997, die tevens een protest tegen de rigide Nederlandse woningbouw was. Weeber toonde zich nog even strijdbaar als in de jaren ‘90: ‘Nee, ik heb nooit in Amersfoort gebouwd, dat mocht ik niet’. Hij toonde een beeld van een stad in Vietnam, met een verscheidenheid van gebouwen, gespeend van welstandscommissies. Weeber: ‘Dit zie je in de hele wereld, behalve  in Nederland. Er is geen ander land in de wereld, waar de burger zo weinig vrijheid krijgt. Het roer moet om! Het wonen wordt hier exclusief door de overheid bepaald’. Rottenberg: ‘En wat is de blokkade?’ Weeber: ‘De politici! Vanuit hun behoefte om te regelen en vanuit wantrouwen jegens burgers. Sinds de ontwikkeling van de woningwet is de regelgeving toegenomen. En, ook dat is een constante, telkens werd gesloopt bij de bevolkingsgroepen die het het moeilijkst hebben – vroeger de Joden en de Antillianen. Nu zijn dat weer andere problematische bevolkingsgroepen. Het heeft allemaal te maken met angst. Voor gevaar, ongezondheid en dergelijke. Ook serieus verdichten gebeurt in Nederland niet. Durf het nou een keer overheid!’.
Rottenberg: ‘Verheffing van bevolkingsgroepen zou beter af zijn bij de kracht van de burger? Zou de topdown- neiging een gevolg kunnen zijn van de verzuiling?
Weeber: ‘Nederland kan zich sinds de woningwet niet voorstellen dat het ook anders kan. De overheid stuurt direct bij. En inspraak levert nooit iets op. Het draait dan altijd om zaken tegenhouden’.
Het tweede beeld van Weeber toonde zelfbouw in Antillen: ‘Je begint met een krot en na verloop van tijd transformeert het krot naar een bouwwerk. Ondenkbaar in Nederland. Eigenlijk zou het model van de volkstuin gevolgd moeten worden om in te wonen. Maar nee, de ene na de andere volkstuin is opgedoekt om plaats te maken voor nieuwe stedenbouw. Er heerst een soort militair regime in Nederland. En Nederland begint telkens weer opnieuw. Al het oude wordt gesloopt.’
Rottenberg: Er is een grote woningnood, vooral in de goedkope sector. Op Rotterdam-Zuid zouden nieuwe bevolkingsgroepen nu goed kunnen wonen, maar de politiek vaart een andere koers en wil hier een middenklasse stad zijn. Weeber: ‘Laat vluchtelingen zelf kunnen bouwen op lege kavels!’.
Thijs Asselbergs, directeur van Thijs Asselbergs architectuurcentrale, sinds 2008 verbonden aan de TU Delft als professor voor de leerstoel Architectural Engineering, maakte de bloei van de top-downtijd volop mee en bracht nuance aan in de discussie. Asselbergs: ‘Er is echt wel veel ten goede veranderd in de houding van de politiek en ook in die van architecten. Mensen kunnen steeds meer bepalen, al blijft het opletten, want voor een deel gaat het om ‘schijnbepalen’ en betreft het feitelijk alleen de styling’. Volgens Asselbergs heeft vooral een stedenbouwkundig probleem: ‘Als je een helder frame maakt, biedt dat ruimte voor burgerinitiatieven en kun je het wilde wonen erop loslaten. Een  stedenbouwkundig frame is zeer belangrijk: het beschermt mij en mijn buurman, bijvoorbeeld tegen zonlichtbelemmering en dergelijke. Het is de vraag of het frame voor de Bijlmer, van tijdgenoten van Weeber, wel goed was, al speelt er een toewijzingsprobleem doorheen: de bevolkingssamenstelling werd veel te eenzijdig. Weeber: ‘Het frame moet flexibel zijn en een zekere ordening hebben. Grid is daarmee een van de beste. Maar het belangrijkste: geef de mensen de ruimte. Kijk bijvoorbeeld hoe  Curaçao dat doet’.
Asselbergs: Wat verdichting betreft: de mooiste voorbeelden zijn die in onder meer industrie, waar je tussen kan wonen, wilder kan het eigenlijk niet. De beste stedenbouwkundige concepten, die het ‘wilde wonen’ mogelijk maken, zijn die van transformaties van leegstaande kantoren. Zo interessant en kansrijk. Tegen Blok moet nu eigenlijk gezegd worden ‘je mag niet meer slopen’, dit zijn gebieden voor burgerinitiatieven en wild wonen optimaal kunnen floreren.
Weeber: ‘Het was in mijn tijd ondenkbaar dat er gewoond zou kunnen worden in kantoorgebouwen!
Rottenberg concludeert dat de dictatuur van de regelgeving in Nederland afneemt.
Hans Teerds, architect, blogschrijver, publicist en onderzoeker aan de TU Delft: ‘Veel is cultuur. In Nederland ontwikkelen we niet door vanuit een krot, want we verhuizen als het te klein wordt.  Teerds mist de straat, de publieke ruimte in de tekening van Weeber. In dat licht is Hanna Arendt volgens hem zeer interessant: zij dacht na over de grens tussen de individuele wens en het publieke – heel specifiek over het publieke deel van architectuur.
Asselbergs: ‘Is de architectuur nog van de architect?’
Teerds toont een beeld van Mies van der Rohe: ‘De architect prominent in beeld, boven zijn ontwerp uittorenend. Hij oogt als de zelfbewuste architect die hij was, maar in zijn architectuur is hij toch ook op een extreme manier nederig. Hij maakt deze ondergeschikt aan het beoogde programma van zijn ontwerp. In feite een neutrale architectuur: puur technische constructie die een enorme ruimte maakt. Dat is de kracht die goede architectuur biedt, vanuit vakmanschap en expertise, de hand van de meester. Mies van der Rohe was nog de architect van de architectuur’. Teerds zelf verhoudt zich op een andere manier tot zijn vak. ‘De architectuur is niet van de architect, maar is deel van een sociale praktijk. Je doet kennis op door te ontwerpen. Je ontwikkelt je daarin. Je moet je bewust zijn wat je daarmee te bieden hebt aan mensen; bijv. het maken van dat gewenste frame. Maar de architect weet meer over ruimte dan de ‘gewone man’’, aldus Teerds.
Asselbergs: als architect sluit ik compromissen, probeer ik een beetje de wereld te verbeteren, ga ik in gesprek en op zoek naar oplossingen. Architectuur is gebonden kunst, je moet je daaraan gaan hechten. Maar daar zijn veel architecten te arrogant voor in Nederland’.
Is het klimaat in Nederland aan het veranderen? Volgens Teerds en Asselbergs is dat absoluut aan de hand:  minder ego, dienstbaar beroep, maar tegelijktijdig geen ja en amen.
Tot zover de architecten. Zij hebben hun rol zien veranderen, ontwerpen niet meer vanuit een absolute waarheid of een onaantastbare eigen visie, maar doen dat kijkend naar de opgave, met inlevingsvermogen, in dialoog en open voor de input van de omgeving. Bijna als  noodzaak, het is een manier om in het stedelijke proces betrokken te zijn en te blijven.
Maar lijkt er niet een grote tegenspraak te zijn tussen de eigenzinnigheid die je als toegepast kunstenaar nodig hebt en de mate waarin je aan de impulsen van burgers tegemoet moet komen?

De beweging bottom up
Stadmaker Frans Soeterbroek, socioloog,  is bottom upper pur sang en co-creatie staat voor hem hoog in het vaandel. Hij vindt het van groot belang dat burgers laten zien dat ze iets wezenlijks kunnen toevoegen.  Desgevraagd vertelt Soeterbroek over een succesproject als het om burgerinitiatief gaat: een ‘burgerjury’ maakt in België in drie dagen tijd een visie op EU- platteland met financiële en machtspolitieke aspecten. Een ander project dat hij noemt is  Singelpark Leiden. Het burgerinitiatief is mede-opdrachtgever van het bureau dat het plan ontworpen heeft. Soeterbroek citeert Plasterk: ‘overheidsparticipatie in plaats van burgerparticipatie!’. Alles heeft te maken met het principe van ‘Right-to-Challenge’: burgers krijgen meer eigenaarschap en het gaat straks niet meer over kleine dingetjes. Soeterbroek: ‘Als het gaat om de betrokkenheid van architecten en ontwerpers, dan is  empathisch vermogen van groot belang. Landschapsarchitecten zijn er vaak beter in. Zij weten beter hoe menging werkt’. Soeterbroek verbaast zich over het ontbreken van burgerparticipatie in de opleiding stedenbouw Delft: ‘Nog steeds kent men alleen de traditionele inspraak, maar dat gaat alleen over even horen wat het publiek ergens van vindt. Als er werkelijk interesse is in de burger, gaat de burger zich ook anders gedragen.’

De ontwikkelaar
Mariet Schoenmakers, stedenbouwkundige, werkzaam bij gebieds-en projectontwikkelaar AM, als directeur Concepts, is opgeleid als stedenbouwkundige in de tijd van de stadsvernieuwing ‘bouwen voor de buurt’. Kennis inzetten voor idealen die je deelt. Zij onderschrijft de stelling dat landschapsarchitecten beter zijn in bottom up, maar…het verschuift wel. Schoenmakers: ‘Landschappers zijn het publieke domein gaan vormgeven en denken meer in driedimensionaal. Het is een discipline die zich heeft geëmancipeerd. Nieuwe generaties denken niet in disciplines, maar verbinden allerlei kennisdomeinen. Men is ook communicatiever. Dat kan ook veel beter in de digitale wereld.
Rottenberg: ‘Stel je mag burgerparticipatie als vak geven op de TU-Delft?’.
Schoenmakers: ‘Dan zou ik uitleggen dat je de burgers kei-en-keihard nodig hebt om iets voor elkaar te krijgen. De opgave: dienstbaar zijn en tegelijkertijd iets wezenlijks toevoegen. Maar het mag ook mooi zijn!’
Schoenmakers toont een beeld van Stefano Boeri in Milaan, met begroeide gevels. De architect vroeg zich af hoe ze de natuur in huis konden krijgen en hoe bijgedragen kan worden aan een beter klimaat. Men begon dus vanuit een ideaal en heeft daar investeerders bij gezocht. Er ontstond ook een nieuw beheermodel. Je koopt een huis (lid VVE), maar je koopt TOT het balkon. Het begroeide balkon wordt onderhouden door de VVE. Je mag daar ook niet alles als individu. Je doet als bewoner dus afstand van een stukje van wat jouw eigendom had kunnen zijn.  De vraag voor Rottenberg is wel hoe dit breed toepasbaar zou kunnen zijn. Rottenberg: ‘Het is nu toch alleen voor de happy few?’.
Schoenmakers schetst ook het dilemma voor Rotterdam-Zuid. Schoenmakers: ‘Deze plekken oormerken voor vluchtelingen? Help je Rotterdam daar verder mee? Je moet ook de middenklasse aan R’dam binden. AM doet er wel research naar’.  
Schoenmakers toont haar voorbeeldproject Kantine Walhalla in Rotterdam: begonnen in Katendrecht met een oud theatertje, een voorbeeld van ondernemerschap en veerkracht, wat een groter pand met een cafe opleverde. De stad faciliteerde dit en stopte er veel tijd in. Het koppelen van locals was van belang. ‘En het mag ook mooi zijn’, aldus Schoenmakers.
Soeterbroek: ‘Deze partijen zitten tijdelijk in dit vastgoed. Kortom, hoe gaat dit verder? Heijmans is nog de eigenaar, het positieve  is wel dat de ontwikkelaar zich echt verdiept in de problematiek in deze wijk. Maar in principe is de tijdelijkheidscultuur heel kwetsbaar.
Rottenberg: ‘Tijdelijkheid maximaal uitrekken vereist een ongelofelijk sterke overheid die heel goed begrijpt hoe daarin te opereren’.
Schoenmakers heeft het liever over ondernemerschap, want het hele leven is tijdelijk. Je kunt met een goed initiatief prima verder op een andere plek. Het is een normaal onderdeel van een groeiproces. Haar benadering: professioneel ondernemerschap als belangrijke drager - en niet shabby - kansen geven. Ook vorm is heel belangrijk!
Rottenberg: ‘Tijdelijkheid is een vak. Je moet de beste mensen in je gemeente daarvoor vrijspelen!’.

Amersfoortse situatie
Berci Florian toont kort de Amersfoortse situatie als het gaat om burgerinitiatieven: het zijn er  90 in totaal, waarvan 50% met een ruimtelijke impact. Zijn pleidooi: ‘Het zou eigenlijk niet uit moeten maken of je werkt bij overheid, burger, ondernemer: het gaat erom elkaars intelligentie te versterken’.

Is het klimaat zo gunstig voor bottom up?
Inspreker Josse de Voogd, geograaf: doet onderzoek naar burgerinitiatieven in relatie tot geografie en stemgedrag. Burgerparticipatie blijkt succesvoller in gebieden met veel hoger opgeleiden, veel D66-stemmers, veel zelfstandigen. Stemgedraglijnen zijn bepalend, het zit hem niet per se in de aanwezigheid van een sterke elite, maar wel in de aanwezigheid van progressieve stemmers met veel tijd. Favoriete locaties zijn waste lands  en rafelranden, in Amersfoort bijvoorbeeld het Soesterkwartier. De Voogt ziet gevaar in het klakkeloos tot succes verklaren van de bottom-upmethode – het zijn maar beperkte groepen die daarmee aan de slag zijn.
Soeterbroek:  ’We zien de hippe voorbeeldprojecten, maar onder de radar gebeurt ook veel, wat niet in beeld komt, dus dat is een vertekening’.
Ook inspreker Arriën Kruyt weerspreekt de stelling van De Voogd. Opvallend is dat de bewonersparticipatie op de berg het allerslechtst is, aldus Arrien Kruyt.
Wethouder Yvonne Kemmerling wijst op de jonge bevolking van Amersfoort. Jonge professionals nemen initiatieven.  Ook spelen aan Amersfoort gebonden ontwikkelaars een rol, zoals in het  Oliemolenkwartier.
Josse de Voogd: ‘Nadelen zijn dat er altijd sprake is van het opschuiven van groepen en verdringing. De pioniers die er zaten, moeten uiteindelijk vertrekken. Een andere zorg zijn de zwakkere groepen en gebieden, zoals De Koppel – minder lijnen naar de politiek, minder geld, minder opleiding. Worden zij vertegenwoordigd?’. 
Toch gebeurt daar ook alles, vooral sociale projecten. Het gebeurt niet alleen in de wijken met de elite of links-progressieven. Dat gebeurt ook in Amersfoort. 
Kemmerling: ‘Wij richten ons zeker ook op wijken die niet vanuit zichzelf om aandacht vragen, maar wel die aandacht nodig hebben. Moeilijk is om de mensen erbij te betrekken. We verdiepen ons in hoe we de vragen uit deze wijk kunnen faciliteren.  In Kruiskamp doen we daar een pilot mee’.
Rottenberg: waarom een pilot? we weten toch al hoe dit moet? waarom weer alles opnieuw?
Kemmerling: we willen niet in de groef uit het verleden blijven hangen, maar met open ogen en oren nieuwe wegen bewandelen. Daarom een pilot, om ervan te leren. We willen niet de indruk wekken dat we het al weten. Bottom-up betekent verbinding zoeken; echt horen wat de ander beweegt en je dienstbaar opstellen. Het moeilijkst is vertrouwen winnen!

De onderzoekers – het Sociaal en Cultureel Planbureau
Rottenberg: ‘Het Sociaal en Cultureel Planbureau beschikt over data die nieuwe tendensen inzichtelijk maken. De nieuwe Omgevingswet, per 2018 kracht van wet, doet voorkomen alsof het belangrijk is om burgers te laten meepraten / denken etc. Is dat niet te pretentieus voor een wet?’
Van den Broek, Senior onderzoeker SCP: ‘Er zijn erg hoge verwachtingen met betrekking tot de rol van de burger. Mijn twijfel is: kan de burger wel zoveel inspanning leveren? Men moet al van alles: voor hun ouders zorgen, etcetera’.
Rottenberg: ‘Dat is dus een dilemma: de samenleving wil burgerparticipatie, maar tegelijkertijd kan het qua tijdsbelasting niet’.
Van den Broek: Ja, en je kunt je afvragen wie deze wet nu eigenlijk nodig heeft? De burger of de overheid? Heeft de overheid zelf nog wel een visie? Maarten Hajer schreef de Energieke Samenleving. Dit verhaal werd veralgemeniseerd.  Van den Broek toont het beeld van Mattheus: hij die heeft zal gegeven worden...en illustreert daarmee de stapeling van ongelijkheid, de kansen zijn ongelijk verdeeld over groepen in de samenleving en dit heeft ook een geografische neerslag. In Amsterdam is het allemaal geen probleem, maar hoe betrek je de mensen in Heerlen en Emmen bij bottom-up?
Van den Broek: ‘De overheid formuleert een ‘one size fits all’. Dat gaat niet werken in de weerbarstige praktijk’.
Jeanet Kullberg van het SCP beziet een en ander vanuit Volkshuisvesting en focust van oudsher op de groepen die het relatief moeilijk hebben. Veel mensen ziet zij als heremietkreeftjes die veel meer doen dan alleen wonen. Bepaalde groepen kunnen wel wat hulp krijgen in hun bottom up processen (financiering maar ook paternalisering).
Rottenberg: Wat is de meest urgente opgave bij het koppelen van de sociale opgave en bottom-up?
Kullberg: ‘Van belang is het veel eerder betrekken van de burger bij het proces, en wel bij het formuleren van het programma van eisen’.  
Van den Broek: ‘Doe echt moeite dat die verschillende meningen ook loskomen’.

Slotsom
Een voorzichtige conclusie lijkt geëigend. Immers, we zitten volop in een ontwikkeling, die zijn tijd nog zal nemen. Burgerinitiatieven zijn een relatief nieuw fenomeen en een reactie op een periode van top downontwikkelingen, waarbij de burger alleen op het niveau van inspraak in beeld was. Een tijd die we met plezier achter ons hebben gelaten. De afstand tussen professionals en overheid enerzijds en de burger anderzijds was groot. Inmiddels kristalliseert zich van alles uit. Grote aantallen burgers lijken tot veel in staat. Maar.. is burgerinitiatief het volledige antwoord op de opgaven die er op ons afkomen? Het is belangrijk om ons te realiseren dat er naast burgers ook nog steeds en vaak vooral, behoefte is aan geldstromen; investeerders, maar ook aan overzicht en distantie, weg van de waan van de dag; visie op de lange termijn en aan professionals, zoals architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen. Ook dat zijn noodzakelijke ingredienten voor een evenwichtige en adequate ontwikkeling van onze steden, met de complexe opgaven die er liggen. Zo blijft het van belang dat professionals en burgers zich beter tot elkaar gaan verhouden en elkaar leren vertrouwen.
Daarnaast speelt er nog iets anders, fundamentelers. We moeten niet vergeten dat fenomenen als Pegida, burgerwachten en het Oekraïne-referendum ook burgerinitiatieven zijn. Soms is de oude democratie nog niet zo slecht om het inslaan van bepaalde extreme richtingen in te kunnen dammen. Daarbij blijkt de representativiteit van burgerinitiatieven een betrekkelijke  - lang niet iedereen is vertegenwoordigd of kan dan wel wil vertegenwoordigd zijn. En hoe verhouden de participatieve democratie en de representatieve democratie zich tot elkaar?
Het gevaar van ongelijkheid in invloed zal ook in de nieuwe democratie blijven, immers, de burgerinitiatieven die goede relaties weten op te bouwen met de overheid, zullen eerder zaken voor elkaar krijgen. Machtsongelijkheid en lobbypraktijken zullen niet uit de lucht zijn. Hoe democratisch is dat? Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de oude democratie in dat opzicht optimaal functioneerde. In mijn optiek zijn top down en bottom up beide extremen in een breed spectrum. Vaak is er in die breedheid meer mogelijk en moeten we het niet in de extremen zoeken. Waarschijnlijk – en laten we het hopen – zullen we uiteindelijk uitkomen op een diversiteit aan tussenvormen en maatwerk, toegesneden op de concrete situatie. We hebben nog een heel leerproces te gaan. Nederland is en, laten we dat hopen, blijft een land waar gepolderd wordt.