TERUGBLIK: Architectuurcafé 19 april 2017: Nieuwe maaivelden

Tekst: Johanna van der Werff, met dank aan Marlies van der Maarel | Foto's: Fred Oosterhuis Tijdens het Architectuurcafé van 19 april jl werden liefhebbers van een goede, inhoudelijke, specifiek stedenbouwkundige benadering van Nieuwe maaivelden als methode om de stad levend en compact te maken en te houden, goed bediend. Een volle zaal luisterde naar maar liefst vijf sprekers, die alleen hun sporen hebben verdiend op het gebied van verdichting van steden. En dat is nodig. Inmiddels woont 50% van de wereldbevolking in steden. Tot 2050 loopt dat op tot 80%. Hoe zorgen we ervoor dat onze steden deze groei op kunnen vangen zonder dat ons open landschap hiervoor wordt opgeofferd? Hoe houd je de stad compact en hoe leefbaar zijn die steden van de toekomst? Op deze vragen kwamen boeiende antwoorden. Want ja! Er zijn verschillende methoden om deze doelstellingen te verwerkelijken.

Sprekers waren Paul Roncken, landschapsarchitect en ruimtelijk adviseur provincie Utrecht; Chris Zwiers, architect, mede-eigenaar en directeur van Oever Zaaijer in Amsterdam; Yosser Dekker, initiator Roofgarden in Arnhem; Ruurd Gietema; stedenbouwkundige, partner in KCAP Architects & Planners en Tim Vermeend, directeur van ‘Urban Climate Architects’. Gezamenlijk schetsten zij een divers en breed spectrum van wat Nieuwe maaivelden (kunnen) betekenen voor onze steden, voor nu en in de toekomst.

Roncken: Nieuwe maaivelden ten behoeve van diversiteit en integraliteit

De aftrap was voor Paul Roncken. Volgens hem zijn nieuwe maaivelden een zeer goede methode om bestaande steden meer diversiteit en integraliteit te bieden. Hij illustreerde dat binnen het begrip Landscape urbanism, ooit het antwoord op het New Urbanism. In de internationale literatuur wordt hierover al sinds 2004 gesproken als een richting die landschapsarchitectuur en stedenbouw met elkaar verbindt. Het idee ontstond tijdens een conferentie in 1997 in Chicago, waarbij een aantal belangrijke (historische) concepten naast elkaar zijn gelegd om daaruit lessen te leren. Roncken schetste in dat verband tien uitgangspunten.
Zo noemde Roncken onder meer het afwijzen van de zwart-wit tegenstelling tussen stad en land waarbij architectuur en landschap meer integreren. Dit refereert sterk aan het zogenaamde ‘kritische regionalisme’, de methode die moderne architectuur menselijker probeert te maken door zich te distantiëren van algemene uniformiteit en het onvoorwaardelijk vertrouwen van de technologie. In plaats hiervan worden oplossingen via regionale tradities en materialen gezocht, terwijl tegelijkertijd het bewustzijn van de universele aard van eigentijdse cultuur wordt bewaard. Als voorbeeld daarvan noemde Roncken Broadacre City, ontsproten aan het brein van Frank Lloyd Wright: een stedenbouwkundig ontwerp dat een alternatief voor de stad laat zien. Broadacre City was een persoonlijke uitdrukking van Wright’s idealen van een egalitaire maatschappij waarin iedereen een eigen huis, auto en lapje grond had. Deze maatschappij noemde hij Usonian: horend bij de Verenigde Staten. In 1932 maakte hij dit plan voor het eerst openbaar, tot aan zijn dood in 1959 zou hij er aan blijven werken.
Een ander aspect van de Landscape urbanism-benadering is dat landschap de architectuur vervangt als bouwsteen van steden. Roncken illustreerde dit aan de hand van Delirious New York: ‘grote gebouwen op zichzelf geven geen identiteit weer’. Beter is als het programma kan wisselen, waarbij de architectuur gelijk blijft en waarbij ingrijpen op landschapsschaal de bottom line vormt. Bij Landscape urbanism is het niet zo van belang hoe dingen eruit zien, belangrijker is wat ze doen (anti-picturesque, pro-sublime). Een andere kenmerk is dat landschap wordt gezien als mechanisme – het park van de 21e eeuw kun je als zuiverend landschap inzetten, niet primair als recreatief zoals dat nu meestal gebeurt. Roncken toonde zich overigens kritisch over de vraag of ons dit als mensheid lukt.

'Utopia is not a place, it's a state of mind’
Chris Zwiers van Oever Zaaier (OZ) had zijn bijdrage Utopia is not a place, it's a state of mind genoemd. Zijn centrale thema is dat we onze steden, met alle technologie die er bij komt kijken, maken voor mensen. Belangrijk is dat je gebruik maakt van de in- en output die je van de deelnemers in die steden ontvangt, tot vloggers aan toe. Gebruik de kracht van digitale techniek - kijk naar wat een fenomeen als Pokemon teweeg brengt en leer daarvan - en zorg voor verbinding en inclusiviteit. Kies voor polycentrisme, ontwikkel van ruimte naar smart ruimte. Immers.. uiteindelijk is wat wij bouwen een ecosysteem op zichzelf, waarin ontmoeten centraal staat en waarin we, vaak tijdelijk, belangen delen.

Na de pauze pakte Yosser Dekker, de draad op. Zijn initiatief Roofgarden in Arnhem, dat inmiddels is gestopt, concentreerde zich op een lelijke betonnen parkeerkolos die ze wisten te transformeren tot een tot levendige stadstuin. Dit gebeurde met een duidelijke missie en zonder geld. Sponsoren en designers werden ingeschakeld voor dit idee van duurzaamheid en design. Na Roofgarden was Yosser initiatiefnemer van Ruimtekoers, een festival over mogelijkheden van leegstand. Gedurende een maand vindt er tijdens Ruimtekoers tijdelijke programmering plaats: pionieren, happenings, debatten, feestjes als soort nieuwe third places. Het festival wist zich te bestendigen. Onder de naam Utopie van de stad gaat de Nieuwe Ruimtekoers inhoudelijke discussies aan over het groeiende gevoel van onbehagen. Er is behoefte aan meer menselijke maat en kleine verhalen van mensen zelf, aldus Dekker.

Gevonden topografie door Ruurd Gietema
Ruurd Gietema vertelde gefascineerd te zijn door wat hij noemt ‘gevonden topografie’.
Hij startte met de Beemster. In feite is dit ingepolderde landschap het prototype van een gemaakt Nieuw maaiveld. Gietema toonde aan de hand van projecten van KCAP wereldwijd welke mogelijkheden het aanboren van Nieuwe maaivelden voor een stad biedt. En ook hoever men daarmee - vooral in Aziatische landen - al is. Indrukwekkend waren KCAP’s Hafencity Hamburg met buitendijks gebied en nieuwe drooggelegen ‘podia’ en dakparken; Singapore met hogesnelheidslijn vanuit China en zeer veel groen en talloze maaivelden. Opmerkelijk is ook het project Seoul Sewoon Grounds van KCAP, met een verfijnd stegenweefsel, waarbij gebruik gemaakt is van bestaande bebouwing en waar geprobeerd wordt om mensen die al in het gebied aanwezig zijn, te behouden. De burgemeester van Seoul toonde zich hierover zeer content: 'Recycling is my philosophy'. Maar ook van dichterbij liet Gietema interessante voorbeelden zien, zoals het stationsplein van Groningen als een hybride tussen gebouw, plein, infra en waarbij 'zien en gezien worden’ centraal staat. En het Hogekwartier Amersfoort, waarbij de Hogeweg en een nieuw centrum bewust gestapeld zijn en, ook in Amersfoort, het plan voor de hoogstedelijke ‘Spot’, aan de Stadsring.

Tim Vermeend: 'De bovenstad, architectonische toevoegingen!'
Tim Vermeend, van Urban Climate Architects in Groningen deed onderzoek naar de eigendomsverhoudingen in de stad en de belemmeringen voor het ‘optoppen’ van gebouwen. Wat bleek: eigenaren in de binnenstad zijn veelal geen private of lokale partijen, maar grote ketens en partijen zonder binding met de stad.
Tegelijkertijd zie je dat bouwenveloppen - dat wat je maximaal zou mogen bouwen - vaak groter zijn dan wat er feitelijk staat. Stel dat de bank deze 'lucht' taxeert? Zo kwamen ze tot een heel andere ‘potentiële’ stad. Eerst rekenen of het kan, dan sleutelen en een plan maken. Ook voor de gemeente Den Haag kwam UCA tot een zeer bruikbare, concrete checklist die precies toont waar nieuwe maaivelden mogelijk zijn, zowel vanuit bouwtechnische, privaatrechtelijke als bestemmingsplantechnische eisen.

Conclusie
Het nadenken over de gespannen verhouding tussen stad en land is dieper geworteld dan je oppervlakkig zou denken. De vrees voor de aantasting van traditionele landschappen dateert al van honderden jaren terug. Wellicht dat generaties die na ons komen al geen beeld meer zullen hebben dat er ooit een scheiding was tussen stad en land. Immers, ondanks het bestaan van de zorg over het verdwijnen ervan, zien we het landschap steeds verder dichtslibben en steden nog steeds in horizontale richting uitbreiden, het landschap daarbij opsouperend. Als je puur vanuit de mens redeneert, hoeft dit toekomstperspectief ook geen probleem te zijn. Wij verplaatsen ons over de door onszelf gecreëerde infrastructuur door dat – hopelijk - parkachtige groene landschap. Deze aangelegde landschappen schuren voor ons al snel en op een aangename manier tegen ‘echte’ natuur aan. Bezie je zo’n landschap meer vanuit de ecologie, dan is zorg geëigend. Dier en plant zijn gebaat bij aaneengesloten gebieden van grote afmetingen waar rust heerst. Dat geldt voor bijna alle natuur, enkele soorten daargelaten die zich hebben weten aan te passen, zoals de ree en bepaalde vogels zoals kraai, ekster en meeuw. Mono-natuur dus.
Maar toch kan ook de mens last krijgen van het ‘versprawlen’ van het landschap. Voorzieningen zijn niet exploitabel te houden en wegen slibben dicht. Althans, in het korte tijdsperspectief dat ons ter beschikking staat. Want wie kan er echt in de toekomst kijken?
Maar kan het anders? Ja! Althans zo blijkt maar al te zeer uit de grote en kleine voorbeelden die de sprekers tijdens het Architectuurcafé toonden. Vooral Aziatische steden zijn voorbeeldstellend. In Nederland hebben veel steden zichzelf tot taak gesteld om de toekomstige bouwopgaven, althans voor een deel, binnenstedelijk op te lossen. Maar waarom gaat die praktijk zo moeizaam? Is het ons poldermodel? Is het ons democratische systeem? Zijn het de grondprijzen – in Nederland nog steeds relatief laag, zeker in landelijk gebied? Waarom lukt het in Azië wel? Is de drang tot innovatie daar groter? Komt het door het topdown-systeem, dat wij inmiddels afgeschud hebben als ‘Old skool’ omdat we het niet meer uitgelegd krijgen? Soms voel ik het verlangen naar ‘een goede oude tijd’, met een rechtvaardige dictator die gevoel voor urgentie én gevoel voor behoud van landschap heeft en een visie op steden. Het mag ook een ministerie zijn trouwens. Een ministerie dat de regie neemt en niet alles over laat aan overheidsniveaus die niet verder hoeven te denken dan tot de eigen gemeente- of provinciegrenzen. Want dat blijkt telkens weer een grote belemmering in goede, zorgvuldige en overwogen ruimtelijke ordening die waardevolle, natuurlijke en leefbare kwaliteit van stad, land en stadslandschap garandeert, ook voor toekomstige generaties.

Klik hier voor de presentatie van Paul Roncken (in PDF, een nieuw scherm opent).
Klik hier voor de presentatie van Yosser Dekker (in PDF, een nieuw scherm opent).