TERUGBLIK: Architectuurcafé 15 november 2017: Do's, don'ts en dilemma’s van restauratie, renovatie en remake

Op woensdag 15 november jl. vond in het Rietveldpaviljoen Architectuurcafé ‘Do's, don'ts en dilemma’s van restauratie, renovatie en remake’ plaats. Tekst: Johanna van der Werff| Foto's: FASadE

Veel van Rietvelds ontwerpen dateren van ruim vijftig jaar geleden, sommige zelfs van 100 jaar geleden. Inmiddels zijn met regelmaat reparaties, renovaties en restauraties noodzakelijk van zijn meubels, gebouwen en andere ontwerpen. Om goedkoop te kunnen bouwen werkte Rietveld regelmatig met materialen die de tand des tijds niet altijd hebben doorstaan of die inmiddels niet meer beschikbaar zijn. Daarbij, Rietvelds vormgeving was abstract voor zijn tijd en vroeg om technieken die toen nog niet voorhanden waren. Hoe restaureer je een monument met de materialen en technieken van nu? En met welke dilemma’s krijg je te maken? Ook zijn er nogal wat ontwerpen van Rietveld die nooit gerealiseerd zijn of waarvan slechts een enkel exemplaar bestaat. Mag je een ontwerp in de huidige tijd opnieuw of voor het eerst het licht laten zien? Tijdens de bouwfase is de ontwerper immers vaak direct betrokken, heeft er zijn stem in en stuurt in allerlei fasen bij. Hoe zorg je dat een 'remake' in de geest van de bedenker wordt uitgevoerd, hoe 'heilig' is het ontwerp daarbij en wat is authenticiteit?

Deze en andere vragen kwamen aan de orde tijdens het drukbezochte Architectuurcafé over de ‘Do's, don'ts en dilemma’s’ van restauratie, renovatie en remake. Sprekers waren Titus Darley van Spectrum en Rietveld Originals, bekend als maker van remakes van meerdere Rietveldstoelen; Jurjen Creman, Atelier Jurjen Creman, restaurator van onder meer de in de tentoonstelling ‘De Stijl voorbij.’ getoonde perskamer van UNESCO; Wessel de Jonge, ‘herbestemmingsarchitect’ van onder meer Zonnestraal van Duiker in Hilversum en Rietvelds Biënnalepaviljoen in Venetië en medeoprichter van Docomomo International en Ludo van Halem, conservator 20e eeuwse kunst van het Rijksmuseum. De avond werd voortreffelijk geleid door Teun van den Ende, secretaris van het nationale Herbestemmingsteam, verbonden aan het atelier Rijksbouwmeester en oprichter van Werkplaats Erfgoed.

Binnenkant minder belangrijk
Al bij de eerste twee sprekers bleek er sprake van een nadrukkelijk onderscheid tussen ‘materiële’ authenticiteit en ‘conceptuele’ authenticiteit, waarbij Creman zich het meest thuis voelt bij de materiële en Darley bij de conceptuele authenticiteit. Titus Darley, maker en (re)maker van diverse stoelen van Rietveld, trapte af met een praktijkcase, de fauteuil voor Metz en Co, die hij voor de gelegenheid had meegebracht. Hij vertelde dat, hoewel Rietvelds tekeningen van de fauteuil op zich voldoende houvast gaven voor productie, de fauteuil door Spectrum niet conform tekening werd uitgevoerd. Reden, aldus Darley: ‘Wij hebben met een klant te maken. Volg je letterlijk het ontwerp van Rietveld, dan krijg je een stoel die geen mens in de huidige tijd zal willen kopen. Daarmee is uitvoeren naar het oorspronkelijke ontwerp voor ons niet interessant. Als het resultaat beter zitten oplevert, vinden wij dat dat moet kunnen. Aanpassingen aan het ontwerp van de fauteuil betreffen onder meer de hoogte van de stoel, de lengte; de kromming van de zitting en de stoffering. Darley: ‘De binnenkant van het meubel is voor ons het minst belangrijk, want niet zichtbaar; daar is wat ons betreft veel mogelijk. Wat betreft de buitenkant proberen we, uiteraard, het oorspronkelijke ontwerp zoveel mogelijk te benaderen, waarbij we als gezegd altijd met de verkoopbaarheid rekening houden.’.

Talloze lagen verf
Jurjen Creman toonde zich strenger in de leer. Creman: ‘Ik wil zo dicht mogelijk bij het origineel blijven. Maximaal behoud, minimaal ingrijpen en zoveel mogelijk gebruik maken van oorspronkelijk materiaal. We gaan ver in het zoeken naar authenticiteit: we nemen monsters van verflagen die niet zichtbaar zijn. Ook maken we oude lijmen en verven opnieuw. Maar een item waar wij vaak tegenaan lopen is... waar stop je? We stuiten regelmatig op verschillende lagen verf waarmee een meubel is overgeschilderd door de loop der jaren. Soms zijn die lagen nauwelijks te verwijderen zonder grote schade aan het meubel zelf. Los daarvan kun je je ook afvragen of die lagen verf niet mede onderdeel zijn van de authenticiteit van het meubel. Het zijn meubels met een geschiedenis. ‘Terugrestaureren’ poetst die geschiedenis weg.’.

Cultuurrelativist
Wessel de Jonge analyseerde zijn restauratie van Rietvelds Venetiaanse biënnalepaviljoen uit 1954. De Jonge kreeg indertijd te maken met een zwaar aangetast Biënnalepaviljoen. Niet alleen de tand des tijds had sporen achtergelaten, Rietvelds paviljoen was ten prooi gevallen aan vandalisme en iemand had het nodig gevonden om zijn boot in het paviljoen te onderhouden: de terrazzovloer was zwaar aangetast door lekkende olie en was als het ware opgelost. Daarnaast was er de urgentie om de functionaliteit van het paviljoen überhaupt te verbeteren én te actualiseren. De Jonge stuitte ook op andere euvels. Zo bleek het bestek van Rietveld in het werk indertijd te zijn omgegooid door de aannemer.
Rigoureus ingrijpen was geboden en is ook verricht, waarmee het pand wellicht niet meer ‘authentiek’ te noemen is, maar wel de tentoonstellings- en publieksopgaven van de huidige en komende generaties aan kan. Feitelijk zou je het een ‘herbestemming’ kunnen noemen, aldus Teun van den Ende, gezien de andere manier van tentoonstellen van nu ten opzichte van de tijd van de realisatie van het paviljoen. Ook Zonnestraal in Hilversum werd door De Jonge aangepakt, in samenwerking met BiermanHenket. Het pand was zo zwaar aangetast dat het na realisatie voor 95% als reconstructie kan worden beschouwd.
De Jonge relativeerde de begrippen authenticiteit en oorspronkelijkheid, die qua definitie in elkaar grijpen .. Ook toonde hij zich in zekere zin een cultuurrelativist met zijn verhaal over Japanse tempels die iedere dertig jaar worden afgebroken en opnieuw opgebouwd. Niemand die daarover tranen laat. Immers, de cultuur hecht meer waarde aan het opnieuw bouwen ervan dan aan het conserveren. Ook de Haita totems op Vancouver Island laten de bewoners zonder problemen verkommmeren: de traditie is dat de volgende generatie leert om ze te maken. Daar zit voor hen de culturele waarde in; de totem zelf is in culturele zin geen factor. Inmiddels is De Jonge aan een nieuwe uitdaging begonnen: de realisatie van Maison d’Artiste, het experimentele ontwerp van Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren, dat alleen op tekening is uitgevoerd en slecht als maquette het daglicht zag.

Bewegende interieurs
Ludo van Halem, conservator moderne kunst bij het Rijksmuseum reflecteerde op thema’s als reconstructie en kleurbepaling in het kader van een aantal projecten waarbij hij betrokken was. Hij benadrukte het belang van zorgvuldigheid. Een van de projecten was de reconstructie van een modelinterieur uit de jaren vijftig van de hand van Gerrit Rietveld in samenwerking met kunstenaar Constant in de Bijenkorf. Van Halem leidde de reconstructie en deed er kleurenstudie voor. Het resultaat was te zien op een tentoonstelling in het Cobra Museum : een betreedbaar interieur in overwegend geel, blauw en rood, van 52 vierkante meter, compleet ingericht, met blauwe kastenwanden; eenvoudig ogend Rietveld meubilair; met een prominente plek voor een gitzwarte potkachel en .. met vier Amersfoortse stoelen. Ook Rietvelds kleurgebruik in vliegtuiginterieurs bracht Van Halem ter sprake. Hoewel bewegende interieurs Rietveld zeer konden bekoren, want een moderne opgave bij uitstek, zaten er voor hem ook nogal wat nadelen aan. Het aantal ontwerpmiddelen was maar beperkt, omdat veel al vastligt, vanuit ergonomie en vanwege veiligheidseisen. Kleur als ontwerpmiddel bleef feitelijk als enige over. Vandaar dat de vliegtuiginterieurs van Rietveld zich kenmerken door nogal opvallend kleurgebruik, zo blijkt uit zijn schetsontwerpen.

Welke conclusie kunnen we trekken?
In de wereld van renovatie, restauratie en remake spelen nogal wat dilemma’s. Wil je zuiver zijn, dan kun je principieel soms maar heel weinig, omdat je het ontwerp dan mogelijk aantast, omdat je afwijkt van het gedachtengoed van de ontwerper, soms puur omdat onvoldoende bekend is van het concept dat de ontwerper voor ogen had. Houd je rekening met verkoopbaarheid en bruikbaarheid, dan zul je soms echt moeten afwijken van het oorspronkelijke ontwerp. Is dat erg?
Maar wat is ‘oorspronkelijk’? In de wereld van de klassieke muziek speelde heel lang eenzelfde discussie, namelijk, de vraag of je Bach mag spelen op instrumenten die er in zijn tijd nog niet waren, waarvan hij het bestaan niet kon bevroeden en waarvoor hij zijn composities dus niet had geschreven? Die discussie ging er indertijd fel aan toe. In het ene kamp toonden zich de rekkelijken, die vonden dat je Bach zeker ook moest kunnen spelen op een piano of vleugel. De preciezen vonden dat uitvoerenden zich moesten beperken tot het klavecimbel en andere oude instrumenten. Beide stromingen trokken hun eigen publiek. Vaak raakten de oude instrumenten tijdens concerten echter zozeer ontstemd, dat het bijna niet meer aanhoorbaar was. De discussie verloor daarmee gaandeweg haar relevantie. Het publiek wil immers ook wat. Lege zalen is iets waar geen musicus op uit is. En zo zijn we terug bij Titus Darley, die met alle zorgvuldigheid Rietveldmeubelen maakt zonder de klant daarbij te vergeten.
Daarbij, we vergeten soms dat ontwikkeling er niet voor niets is. Omdat het bestaande niet optimaal is, zoekt de mens altijd naar verbetering, in materialen en in technieken. In de wereld van zowel meubelontwerp als architectuur zijn veel materialen en technieken die suboptimaal bleken, verlaten; er kwam iets anders voor in de plaats. Een natuurlijk proces.
Speelt de geest van de ontwerper zelf nog een rol? Rietveld was bij uitstek iemand die bleef zoeken naar verbetering en geïnteresseerd was in de nieuwste ontwikkelingen. Is het minder erg om zijn ontwerpen ‘vrij’ te interpreteren dan bij een rigider denkende ontwerper?
Tegelijkertijd is het in alle gevallen natuurlijk in culturele zin een groot verlies als latere generaties geen weet meer hebben van oude technieken en materialen. Documentatie en conservering blijven dan ook van groot belang en het behouden van bronnen essentieel.
Per geval zou je je daarom kunnen afvragen wat het doel is van renovatie, restauratie of remake? Wil je het publiek iets bieden? Dan zul je soms iets van het ideaal van absolute zuiverheid of authenticiteit moeten loslaten. Wil je gaan voor zuiverheid, dan zijn bepaalde reconstructies of remakes soms gewoon niet uitvoerbaar, omdat materialen niet meer voor handen zijn of omdat je eenvoudigweg niet weet wat de ontwerper voor ogen had. Interpretatie is dan onvermijdelijk en dat leidt per definitie onzuiverheid. Het blijft om die reden alleen al belangrijk om als restaurator, architect, architectuurhistoricus en producent over elkaars schuttingen te kijken.
Wellicht is het tenslotte goed om de waan van oorspronkelijkheid wat te relativeren: veel van wat we om ons heen zien, heeft al talloze nieuwe lagen en aanpassingen, nieuwe details, reconstructies gekregen of ondergaan. Als we door onze steden lopen, zijn we ons daar niet altijd bewust van. Als er ergens de oorspronkelijk bronnen bewaard zijn gebleven, kunnen we met deze werkelijkheid misschien wel beter leven. En .. de makers van toen zullen waarschijnlijk nooit hebben kunnen bevroeden met welke zorg wij in onze tijd met het erfgoed dat ze nalieten omgaan.