TERUGBLIK: Architectuurcafé 13 december 2017: De historische Expo 58 vanuit dubbel perspectief

Tekst: Johanna van der Werff

Tijdens de Special ‘De historische Expo 58 vanuit dubbel perspectief’, afgelopen woensdag 13 december, vertelde Peter Wever, arts-microbioloog met daarnaast een aantal uit de hand gelopen hobbies, aan een grote groep belangstellenden over de Wereldtentoonstelling Expo 58, die in 1958 plaatsvond in Brussel. Wever is te betitelen als verzamelaar van parafernalia mbt Expo 58. Zijn liefde en interesse hiervoor is terug te voeren op de moeder van zijn toenmalig vriendin, die mooie jaren vijftig spullen verkocht in haar winkel. Op de markt van het Waterlooplein kocht Wever jaren later zelf, voor aanzienlijk lagere prijzen, diverse zaken en memorabilia die op de een of andere manier te maken hadden gehad of onderdeel waren geweest van de wereldtentoonstelling Expo 58.
Vaak zingt het aantal van 42 mln bezoekers dat Expo 58 bezocht rond. Nadere beschouwing toont dat hieronder 40 mln Belgen. Conclusie: veel Belgen bezochten de tentoonstelling minimaal acht keer. De bekendste, nog overgeleverde eyecatcher is het Atomium, bestaande uit een stalen constructie met negen bollen met elk een diameter van 18 meter. De bollen vormen samen de kubische, ruimtelijk gecentreerde kristalstructuur van ijzer, 165 miljard , die symbool stond voor het vreedzaam gebruik van atoomenergie. Expo 58 viel midden in de koude oorlog. Temidden van de internationale spanningen in de naoorlogse tijd, was het een baken van optimisme en geloof in de vooruitgang. In de diverse paviljoens presenteerde landen zich. Zo toonde Rusland een vierkant en hermetisch paviljoen, dat als bijnaam ‘de vrieskast’ kreeg, met daarin Spoetniks 1 & 2. Het Amerikaans paviljoen was in zijn vorm rond en open, en heette ‘relax’. Binnen waren soft ice, kleurentelevisie en modeshows te genieten en te bewonderen.
Het Nederlandse paviljoen kreeg als bijnaam ‘Ou sont les vaches?’ (Waar zijn de koeien?). Nederland toonde zich in agrarische superlatieven.

Rietveld en de Expo 58
Rietvelds bemoeienis met Expo 58 was vijfvoudig, maar moet uiteindelijk vooral als bescheiden worden beschouwd.
Het idee van Louis Kalff, toenmalig Philips topman, was dat Le Corbusier samen met Rietveld het ‘Philipspaviljoen’ zou ontwerpen: Rietveld het exterieur en Le Corbusier het interieur . Rietveld maakt een maquette om te tonen bij hun ontmoeting, maar eenmaal bij Le Corbusier aangekomen, blijkt deze niet in een gezamenlijke opdracht geïnteresseerd. ‘Rietveld, ik maak een binnenkant, die hééft geen buitenkant’, aldus Le Corbusier. De maquette blijft hij in de doos.
Le Corbusier ontwerpt, overigens samen met componist, wiskundige en architect Iannis Xenakis, een ‘wiskundig gebouw’. Het paviljoen is ontworpen om er een multimediaspektakel plaats te laten vinden, waarin de naoorlogse technologische vooruitgang kan worden gevierd en waar de gruwelen waar de mensheid toe in staat is gebleken, worden verbeeld. Het paviljoen is een cluster van hyperbolische paraboloïdes, waarbij gebruik wordt gemaakt van Edgar Varèse's Poème électronique, die een gedetailleerd ruimtelijk schema voor het muziekstuk schrijft. Daardoor kan het goed gebruikt worden voor de fysieke indeling van het paviljoen. De  binnen- en buitenkant vallen samen. Het is feitelijk een projectiescherm waar zich om de acht minuten een spectakelaire presentatie van licht, ritme, kleur en geluid voltrekt. Het is zo indrukwekkend en indrukwekkend dat ‘mensen hun urine lieten lopen’ en ’de vliezen van hoogzwangere vrouwen spontaan braken’. Gruwel en vooruitgang, waar de Efteling een puntje aan kan zuigen.

Rietveld en het Nederlands paviljoen tijdens Expo 58
Omdat Rietvelds rol ten aanzien van het Philipspaviljoen tot niets gereduceerd is, richt hij zich op het Nederlandse paviljoen. Hij vormt samen met architecten Boks, van den  Broek en Bakema het architectenteam dat verantwoordelijk is voor het ontwerp van het Nederlands paviljoen. Uit de maquettes die Boks en Rietveld ieder voor zich maken, blijkt dat in het paviljoen meer van Boks invloed zichtbaar is dan van die van Rietveld. Rietveld ontwerpt voor de prestigieuze tentoonstelling meerdere meubels, waaronder de Mondialstoel, die zeer positief wordt ontvangen door Goed Wonen. Hoewel de stoel vaak in een witte kleur verbeeld is, blijkt bij nadere inspectie dat Rietveld de stoel door Gispen in rood polyester werd uitgevoerd. Ook maakt Rietveld interieurinrichtingen om te dienen als inspiratie tot modern wonen. In zijn tentoonstellingsmaquette toont Rietveld ook de Deense en de zigzagstoel; deze worden echter in werkelijkheid niet in de expo getoond. Na kritiek op de inrichting van de afdeling textiel – nogal fröbelig - wordt deze alsnog aangepast

Virtueel Philipspaviljoen
De tweede spreker is Frederike Manders, van Hyperspace Collective. Zij vertelt over het initiatief tot herbouw van het Philipspaviljoen, een initiatief dat ooit door haar vader is begonnen. Frederike nam dit, samen met haar partners Gedule Martens over, in het kader van een stimuleringsproject van de Creatieve industrie in Eindhoven. Immers, herbouw van het paviljoen van Mies van der Rohe was een groot succes en gaf een economische impuls; dat moet met het Philips paviljoen in Eindhoven ook kunnen! Het initiatief krijgt vaart. In Archined verschijnt in 2005 een artikel waarin het zeer positief wordt beschreven, verwijzend naar de ‘definitieve toezegging gemeente’ die er van de gemeente ligt. Het is haalbaar, er is geld, er is een locatie – Strijp S - en realisatie is op korte termijn mogelijk.
Als de provincie ook toehapt, is het vertrouwen dat ook Europa zal financieren groot. In 2013 volgt de klap en de genadeslag. Het project strandt alsnog als Eindhoven geen Culturele Hoofdstad wordt. De gemeente wil niet meer bijdragen aan de herbouw.
Een opleving volgt in het kader van een aantal ‘Stadskrachtbijeenkomsten’ in 2014/2015. Het gebouw wordt niet meer gerealiseerd, maar zal een alternatieve ‘VR’-vorm krijgen. Virtual reality kan immers makkelijk: bouwen kan zonder toestemming, kost geen ruimte en kost bijna geen geld. De Bond Nederlandse Architecten geeft geld om het uit te voeren. De praktijk ook dit keer weerbarstig. Er zijn schetsen, maar dat zijn geen bouwtekeningen; het zijn impressies die weinig houvast geven.  Feitelijk onwerkbaar. Ondanks de weerbarstigheid zetten Manders en Martens door. Inmiddels is het een eind op weg en wordt de grote waarde van deze ‘Digitale archeologie’ breed erkend. Een oud-medewerker onderging onlangs de virtuele wandeltocht door het paviljoen en was ontroerd. Het project heeft daarmee al zijn waarde bewezen. We gaan er meer van horen!